In mijn
jeugd woonde ik in Indonesië, de meeste jaren in Bogor (Java).
Ik was een jaar of negen toen wij op een dag een uitstapje maakten naar
de vulkaan Tankuban Perahu, een vrij bekende toeristische attractie.
(bron foto : Mochtar Lubis: Het land onder de zon. 1981).
De krater maakte op mij een diepe indruk. Als aandenken stopte ik een paar brokken geel gekleurde steen in mijn broekzak. Thuis kreeg de nieuwsgierigheid van de jonge onderzoeker de overhand. Zouden die stenen echt willen branden, net zoals in de krater? Met behulp van een half doosje lucifers veranderden de brokken in een sputterende roodbruine massa waaruit een verstikkende walm opsteeg. Binnen enkele ogenblikken hadden de zwaveldampen iedereen uit huis verjaagd en kreeg ik er aan de straatkant van langs.
Latere episodes waren minder hectisch. Op dertienjarige leeftijd, en inmiddels geëmigreerd naar Nederland, logeerde ik bij een neefje in Scheveningen. Hij wist een berg stenen die voor onderhoudswerk aan de zeewering gebruikt werden. Als je zo'n steen doormidden sloeg zaten er soms stukjes groen glas in. Andere stenen bleken schelpachtige dingetjes te bevatten. En ze stonken daarbij naar rotte eieren. Die lucht kwam mij bekend voor! Er kwamen herinneringen aan de vulkaan naar boven. Basalt, olivijn, kolenkalk... Met het 'Keienboek' van P. van der Lijn dat ik op mijn verjaardag had gekregen kon ik meteen aan het determineren.
Nog weer vele jaren later, in de zomer van 1975, fietste ik met mijn vriendin Maria aan de voet van de Holterberg. Tijdens een bermpauze vond zij een opvallende steen, een windkanter, die ik van haar cadeau kreeg. Sindsdien hebben windkanters altijd mijn speciale belangstelling gehad...
Mijn definitieve bekering vond plaats in 1982, tijdens het Geologisch Weekend in Valkenburg. Dit bijzondere evenement legde een stevige bodem onder mijn tot dan toe nogal wisselvallige geologische interesse. Excursies naar de Eifel en naar de ENCI in Maastricht bezorgden mij een tas vol olivijnknollen van de Dreiser Weiher, micromineralen van de Emmelberg en mesofossielen uit het Maastrichts Krijt. Daar kon ik wel even mee vooruit.
Een half jaar later wandelde ik over het Noordse Veld
bij Zeijen (Drenthe).
Vlakbij het hunebed, aan de rand van een akker, zag ik voor het eerst
een
hoop zwerfkeien. Bij de aanblik van zoveel granieten, porfieren,
vuursteen,
zandstenen en nog veel meer moois zat ik meteen op de knieën.
Vele keienbulten passeerden sindsdien de revue. Maar de laatste jaren
neemt
het aantal vindplaatsen drastisch af. Tegenwoordig worden veel stenen
niet
meer in de berm of aan de kant van de akker gestort, maar op de kar, en
binnen de kortste keren afgevoerd. Kennelijk ligt het in de aard van
zwerfstenen - IJstijd of niet - om steeds
nieuwe middelen van transport aan te grijpen. De verzamelaar moet maar
zorgen dat-ie er op tijd bij is!
