S 7 - Book N
Dance / 3.00 PM / Streets /
Mechanics / Red Flame / Erato
Je
kunt je eigenlijk geen groter contrast voorstellen dan tussen Heiner
Müllers 'monument voor de dood' (S6) en het levende monument van
William Forsythe (S7). Voor deze stadsmarkering liet Forsythe een
ongeveer 400 meter lange sloot graven, in oostelijke richting. Aan één
kant werden 27 wilgen geplant. De toppen ervan werden met stalen kabels
vastgebonden aan betonnen paaltjes midden in de sloot. Hoe ouder, hoe
krommer de bomen zouden groeien. Aan weerskanten van de sloot liet
Forsythe een gebogen aarden wal met haagbeplanting aanleggen. Van
bovenaf gezien, op de ontwerpschets, vormen de wallen samen een
gespiegelde S-vorm. Aan de paaltjes in het water zijn schijnwerpers
gemonteerd, die de bomen ’s avonds verlichten.
Het lijkt een simpele ingreep, een kleine snee in het landschap. Van enige afstand valt deze stadsmarkering nauwelijks op. Pas als je dichterbij komt zie je dat er met deze bomenrij iets bijzonders aan de hand is. Als het Forsythes bedoeling is geweest om zijn ontwerp zoveel mogelijk te laten opgaan in de omgeving, dan is hij daar goed in geslaagd. Bij de meeste andere stadsmarkeringen moet je langer zoeken naar de relatie met de plek en het omringende gebied. Hier is dat verband meteen duidelijk.
William Forsythe (1949, New York) is een wereldberoemd danser en choreograaf. Na zijn opleiding in Florida en New York komt hij op uitnodiging terecht bij het Stuttgart Ballet (1973-1980). Na een periode waarin hij voor verschillende dansgezelschappen werkt wordt hij in 1984 leider van het Ballet Frankfurt. Twintig jaar later, nadat de stad Frankfurt de subsidiekraan dicht draait, wordt het gezelschap in 2004 opgeheven. Met ongeveer de helft van de dansgroep richt Forsythe een eigen, onafhankelijk bedrijf op: The Forsythe Company.
Forsythe staat vooral bekend om zijn revolutionaire vernieuwing van het traditionele ballet (Impressing the Czar, 1988) en om zijn opvattingen over choreografie. Verschillende malen werd hij tot choreograaf van het jaar gekozen. In zijn werk legt hij verbindingen tussen dans en andere disciplines, zoals performances, multimedia, architectuur, filosofie en geometrie.
'You don’t start dancing. You dance. You are a dancer or you are not. I’m one of those people who have always danced. [...] You use it to get in touch with things. Even if it is just moving your hands, sometimes I just arrange my fingers. It is a way of thinking. The body is a thinking tool.' (Forsyth in Ballet.Co Magazine, 2 feb. 2003)
De video hieronder geeft enkele voorbeelden van Forsythes improvisatietechniek. (met dank aan GrandpaSafari)
Na het zien van deze video is het niet moeilijk om je Forsythe's wilgen voor te stellen als een rij buigende dansers. Ook in de combinatie van gracht en gebogen wallen toont Forsythe zijn fascinatie voor geometrische vormen.
Daarnaast heeft Forsythe een verband willen leggen met de geschiedenis van de Groningse scheepsbouw. Daar was vroeger veel vraag naar gebogen hout. Dit zogenaamde 'kromhout' werd gebruikt voor het maken van spanten (de 'ribbenkast' in een scheepsromp). Bruikbaar kromhout was soms moeilijk te vinden. Daarom hielp men de natuur soms een handje door bomen of takken in gebogen vorm te laten groeien. Op de bannerfoto (feb. 2009) zijn de wilgen net geknot. De kale stammen laten goed zien waar het de scheepsbouwers om te doen was.
Meer over William Forsythe:
- The Forsythe Company, over Forsythe
- Annette Embrechts: Onnavolgbare vernieuwer,
artikel in Volkskrant, 3 juni 2008
- Interview met William Forsythe, door John
Tusa
(Ballet.Co Magazine, 2 feb. 2003)
Dansende wilgen, scheepsspanten, dat is nog niet alles.
Het Woudgebied
Forsythes
markering staat aan de rand van een gebied dat in geologisch en
archeologisch opzicht nogal opvallend is: het Woudgebied of de Wolden .
Nog preciezer gezegd, het centrale Woldgebied, om het te onderscheiden
van andere wolden zoals het in het Duurswold, Zuidelijk Westerkwartier
en het Oldamt (Schroor en Meijering, p. 70). Het gaat om de driehoek
tussen Groningen
( Noorderhogebrug), Bedum en Ten Boer, nu bekend als Innersdijk en
Vierendeel. Het gehucht
Ellerhuizen ligt precies in het midden. Als in deze omgeving een sloot
wordt gegraven
zie je in het bodemprofiel een donkere, humusrijke toplaag met
daaronder een dikke laag zeeklei. Dit tamelijk zeldzame bodemtype staat
bekend als woudeerdgronden , vroeger woudgronden genoemd. Ook in
West-Friesland komt deze bodemsoort voor.
(Foto hierboven uit 1983, tijdens de aanleg van het wijkpark Lewenborg. Bovenin het bodemprofiel is de zwarte woudlaag zichtbaar).
Het
Woudgebied heeft een bijzondere ontstaanswijze. Er zijn daarover nog
veel vraagtekens, maar uit onderzoek komt het volgende beeld naar
voren.
Omstreeks 1040, het officiële geboortejaar van Groningen, is de
omgeving van de stad bepaald geen lieflijk landschap. Een
onoverzichtelijke afwisseling van zompige kwelders, kreken en
onbegaanbare veengebieden. Hoger gelegen zandgronden (Groningen ligt op
het noordelijke uiteinde van de Hondsrug) en kwelderruggen (de wierden)
worden bewoond. Maar de zee heeft er vrij spel, er zijn nog geen
dijken. Het Woudgebied blijft lange tijd voor overstromingen gespaard.
Hier heeft zich vanaf ca. 700 v.Chr. op de zeeklei
een - soms meer dan 2 meter! - dik veenpakket gevormd. Het wordt
gevoed door zoet water van Drentse rivieren, met name de Hunze. Dit
veengebied tussen de Hunze en de Fivel ligt relatief hoog ten opzichte
van de omgeving. In de 8e of 9e eeuw wordt het echter alsnog door de
zee overspoeld en bedekt met een laag klei. Het veen verruigt en maakt
plaats voor een moerasbos, begroeid met riet, elzen, wilgen en berken.
Er leven bevers, oerrunderen en wolven. Geen prettig wandelbos, maar
het woeste Woud van Bedum .
Walfridus
Rond het jaar 1000 komt een intensieve ontginning van de wolden op gang. Vaak wordt een vrome Groninger, de heilige Walfridus , genoemd als de grondlegger van deze ontginning. De kerk in Bedum is naar hem genoemd en ook een spoorbrug over het Van Starkenborghkanaal. Vanuit de omliggende wierden in Ubbega en Fivelgo wordt het oude veengebied op een systematisch manier verkaveld. Een patroon van afwateringssloten is nog steeds zichtbaar. Op de akkers wordt graan (rogge) geteeld. Maar dat gebeurt door roofbouw. Als de grond is uitgeput wordt een nieuw stuk in gebruik genomen. Er zijn aanwijzingen dat er ook sleuven zijn gegraven om de kalkrijke klei naar boven te halen. Die wordt over de venige bovengrond verspreid. Het oorspronkelijke veen verdwijnt in rap tempo. Het verdroogt (oxideert), klinkt in of wordt afgegraven. Binnen een of twee eeuwen is er weinig meer van over. Wat er wel overblijft is een komvormige laagte, waar van alle kanten wateroverlast dreigt. Om dat gevaar te bezweren leggen de nazaten van Walfridus tussen 1100 en 1200 een dijk aan die het gehele Woldgebied omsluit. Het tracé van deze Wolddijk is voor een groot gedeelte nog te volgen. Onder de kerken in Bedum en Thesinge zijn bij restauraties nog stukken van het oude veen gevonden. In bodemprofielen zie je soms veenresten. En die zwarte woudlaag.
Lewenborg en Le Roy
De aanleg van de wijk Lewenborg begon in 1971. Toen ik er in 1974 met Maria kwam wonen leek de wijk op het eerste gezicht een doorsnee nieuwbouwwijk: een massa huizen, willekeurig neergekwakt in het weiland. Maar dat veranderde. Achter ons huis, naast een vijver aan het Want werden hopen puin en bouwafval gestort. Wat was daar de bedoeling van? Het bleek dat de gemeente Groningen dit gebied had toegewezen aan de veelbesproken kunstenaar / filosoof Louis Le Roy. Le Roy was alom bekend vanwege zijn "wilde tuin"aan de Kennedylaan in Heerenveen en zijn Ecocathedraal in Mildam. In Lewenborg kreeg hij opnieuw de kans om zijn visie gestalte te geven in een publieke groenzone.
In de jaren dat wij er woonden was het inderdaad een bijzondere plek. Maar er is over het "Le Roy-gebied" ook lange tijd veel onduidelijkheid geweest. Nu - dertig jaar later- kun je zeggen dat het vooral een gemeenschapspark is geworden, waarin veel ruimte is voor eigen invulling door de lokale bewoners. Het moet gezegd dat de gemeente in de wijken Lewenborg en Beijum veel oog heeft gehad voor groenvoorzieningen. Het zijn inmiddels dicht begroeide wijken. Naast het Le Roy-gebied zijn er waterpartijen, een wijkpark, een Bevrijdingsbos. En vanaf 1989 begon ook de aanleg van het uitgestrekte recreatiepark Kardinge.
Het is goed mogelijk dat Forsythe in 1990 op de hoogte was van deze plannen. De wilgen langs zijn stadsmarkering staat met hun wortels in de resten van een oud, Middeleeuws bos. Maar tegelijk vormen ze ook de entree naar een modern woud, ingericht volgens 20e-eeuws landschapsdesign...
Meer over:
de bodem en de geschiedenis van het Woudgebied
- Berendsen, H.J.A.: Landschappelijk Nederland: de
fysisch-geografische regio's. 3e dr. Assen, Koninklijke Van Gorcum,
2005.
- Broek, Jan van den: Groningen, een stad apart. Assen,
Koninklijke Van Gorcum, 2007.
- Ligtendag, W.A.: De Wolden en het water. Groningen,
Regio-Projekt uitgevers, 1995.
- M. Schroor en J. Meijering: Golden Raand :
landschappen van Groningen. Stichting Het Groninger Landschap, 2007.
ISBN 9789077548233
- Ubbega in het jaar 1000 (dl 1):
Infobulletin Historische vereniging Winsum - Obergum, 2001, 3 (november)
- Ubbega in het jaar 1000 (dl 2):
Infobulletin Historische vereniging Winsum - Obergum, 2002, 1 (juni)
- Walfridus van Bedum (PDF)
de wijk Lewenborg
- Lewenborg (wikipedia)
- Le Roy-gebieden Groningen
Louis Le Roy
- website van Stichting Tijd,
beheerder van het gedachtengoed van Louis Le Roy
- artikel over Le Roy in Archined, 10
september 1999
- Jan Woudstra: The Ecocathedral: Louis Le Roy's expression of a "free landscape architecture" (PDF)
Foto's stadsmarkering Forsythe
![]() |
|
![]() |
|
![]() |
![]() |
![]() |
|
![]() |
|
![]() |
|
![]() |
|








