9. Stenen uit de vulkaan
Toen de aarde nog maar pas bestond was hij gloeiend heet.
En overal waren er vulkanen.
Een vulkaan is een berg waarin een gat is naar het binnenste van de aarde.
Onderin zo’n vulkaan is het vreselijk heet. Zó heet, dat alles daar gesmolten
is.
Er is een gloeiend hete pap van gesmolten steen.
Op een dag gebeurt het dat de vulkaan ontploft!
Er is een grote knal en heleboel vuur. Een vulkaanuitbarsting!
Overal vliegen klodders gesmolten steen in het rond.
Zo kwamen miljoenen jaren geleden ook deze twee stenen naar buiten.
Als klodders gesmolten steen uit een oeroude vulkaan.
 
De steen links is donkergrijs met groene en witte spikkels.
Toen hij uit de vulkaan de lucht in vloog was hij nog roodgloeiend van
de hitte.
Er zaten een heleboel kleine gasblaasjes in. Die waren gevuld met gas uit
de vulkaan.
Later koelde de steen af en hij werd grijs. De gasblaasjes werden kleine
gaatjes en putjes. En daarin groeiden piepkleine mineraaltjes en kristalletjes.
Dat zijn die spikkels.
De steen rechts, bruin met groen, komt helemaal onder uit de vulkaan.
Wel meer dan duizend meters diep.
Het groene mineraal heet olivijn. Denk maar aan groene olijven, dan onthoud
je het beter!
Het binnenste van de aarde bestaat voor een groot gedeelte uit olivijn.
Bij een vulkaanuitbarsting komen soms stukken olivijn naar boven. Ze worden
door de vulkaan naar alle kanten uitgespuugd. Dat is ook met deze steen
gebeurd.
Stel je eens voor dat je deze steen kunt oppakken. Dan had je eigenlijk
een stukje van het binnenste van de aarde in je hand. Is dat niet geweldig?
|